Het wc-blok was spiksplinternieuw, achter een van de deuren zag ik zelfs een ongebruikte jaccuzi. Maar toen ik met mijn overvolle tas, waar mijn zonnebril uit dreigde te vallen, neerhurkte, ging het mis. Pas toen ik weer opstond en mijn handen waste zag ik dat ik over mijn linker broekspijp had geplast. Niet een beetje maar heel erg. De broekspijp was doorweekt. Welkom in het dorp Sitta, vlak buiten Hawija, het soennitische achterland van Irak.
Balzaal
Ik waste mijn handen, kneep de broekspijp uit, waste nog eens mijn handen, deed mijn schoenen uit en duwde tegen de deur. De gastenwoonkamer was groter dan een balzaal. Op de banken die tegen de wanden aanstonden zaten lusteloze jongemannen in trainingsbroeken. Zodra ik binnenkwam, blond, zonder hoofddoek, keken ze verbaasd op. Natuurlijk was ik hier de enige vrouw. Tot overmaat van ramp zag ik ook nog dat mijn goede vriend Mo aan de andere kant van de ruimte zat, naast de gastheer. ‘Saddam’ hoorde ik vallen.
Het was zeker een meter of acht lopen. Er zat niets anders op, ik moest dwars oversteken. Ik voelde hun blikken. Die doorweekte broekspijp, zouden ze hem zien?
De gastheer heette me welkom. Ik ging stilletjes naast Mo zitten en staarde de kamer in. Laten we vooral niet de aandacht vestigen op mij en mijn natte broekspijp. Wat had me er ook toe gebracht om een crèmekleurige witte broek aan te trekken?
150 dollar
Saddam, klonk het ondertussen nog eens.
Mo legde in het Engels aan me uit dat ze het over politiek hadden. Noem één reden om op deze politicus te stemmen? Vroeg ik om toch een beetje mee te doen met het gesprek. De gastheer, een neef van Mo, was duidelijk iemand met politieke ambities. Hij zei: ‘Dat zal ik je zeggen. In een woord: Saddam.’
Het was al laat op de avond. Mo stond op om te gaan en de gastheer liep met ons mee naar buiten, waar Mo’s auto stond. In het Arabisch hoorde ik ‘150 dollar.’
We reden naar huis. ‘150 dollar?’ vroeg ik.
‘Hij bood me 150 dollar aan voor mijn stem en die van mijn vrouw. Maar dat doe ik niet,’ zei Mo.
Als je maakt, kies je voortdurend welke feiten je aanhaalt en welke betekenis je die geeft. De natte broekspijp, de gastheer die maar over Saddam doorging – het vond allemaal tegelijkertijd plaats. De werkelijkheid is iets wat je ieder moment construeert. Gaaf he?