0
Schrijven

Ondertussen bij The New Yorker

‘Roger Angell wacht op je,’ zegt Peter Canby, hoofd fact checking bij The New Yorker, zodra Daniel Menaker op de twintigste verdieping uit de lift stapt. Menaker werkte van 1969 tot en met 1994 bij het blad, eerst als fact checker, later als redacteur fictie. In 1994 stapte hij over naar Random House, een van de grootste boekenuitgevers van de VS, waar hij tot zijn pensionering hoofdredacteur was.

11 duizend reacties op een stuk

Angell wacht in een bureaubreed kamertje aan het raam, een lange, magere man met hoog opgetrokken pantalon. Hij komt moeizaam overeind. Angell is 93 maar werkt nog alle dagen bij het blad, tot drie uur ‘s middags. Vorig jaar publiceerde hij een essay over ouder worden en het verlies van zijn vrouw. ‘Er kwamen elfduizend reacties op,’ vertelt hij glunderend aan

Het blad huist in een moderne wolkenkrabber van haar uitgever Conde Nast op Times Square. In de jaren dat Menaker er werkte, zaten ze in een aftands gebouw.

Menaker schreef een aantal goed ontvangen boeken en in 2014 verschenen zijn humoristische memoires, met daarin veel aandacht voor de buitengewoon perfectionistische werkwijze van The New Yorker: My Mistake. Daarin beschrijft hij hoe toenmalig hoofdredacteur William Shawn op een dag de eindredacteur van een verhaal van Susan Sontag bij zich roept vanwege het woord “balls” in de zin “I stroke my delirium like the balls of the comely waiter”. Shawn liet de eindredacteur bij hem langs komen om toch samen een aantal minuten na te denken of er geen alternatief te verzinnen was.

Menaker omhelst hier en daar oude collega’s – sommige leeftijdsgenoten, sommigen ouder dan hem. ‘Ik mis vooral de kantoorroddel. Dat ik anderen en zij mij belachelijk maken. Zoals: hoe haalt die Menaker het in zijn hoofd om in spijkerbroek en op gympen langs te komen?,’ zegt hij glimlachend.

Er staat een keurig gelakt houten bankje in de gang, bezaaid met afgedankte recensie-exemplaren. Mee te nemen voor wie wil. Het bankje gaat met iedere verhuizing mee – The New Yorker bestaat sinds 1925. Het bood in haar kleurrijke verleden een podium aan tal van bekende schrijvers, als E.B. White, Vladimir Nabokov, John Updike, Sylvia Plath, Truman Capote en Woody Allen. Het blad kreeg in Menakers tijd gemiddeld zo’n 250 fictie-verhalen per week toegestuurd, waarvan er per nummer maar twee, en slechts na uitgebreide revisie, mee gingen. Dat gold zelfs voor de verhalen van gedenkwaardige auteurs zoals Alice Munro, die onlangs de Nobelprijs voor de literatuur won.

Tegenwoordig telt het blad zo’n 110 medewerkers die werken aan de papieren uitgave, met een oplage van een miljoen, en de website, die naar verluid zo’n 100.000 abonnees telt – het precieze aantal geeft men niet vrij.

Boekdeal van $ 425,000

Even verderop spot Menaker eindredacteur Mary Norris. Norris heeft een contract afgesloten voor een nog te schrijven boek ‘Between You and Me: Confessions of a Comma Queen’ en kreeg daarvoor een voorschot van naar verluid $ 425,000. Norris verdedigt al dertig jaar het gebruik van leestekens in The New Yorker op haar Page-Turner blog. Maar al doet de oude garde, zoals zij, Canby en Angell anders vermoeden, lifelong employment behoort inmiddels zelfs bij The New Yorker tot het verleden. ‘Het gebeurt tegenwoordig ook wel dat mensen het blad weer verlaten,’ vertelt Menaker, ‘omdat de wereld van de journalistiek en non-fictie nu minder gecentraliseerd is rondom publicaties als The New Yorker.’

Aan de muur hangen alle covers die gemaakt zijn sinds de komst van Tina Brown in 1992. Menaker kijkt naar de cover van een Joodse man die een Mexicaanse zoent. Hij vertelt aan zijn oude vriend Canby: ‘Tina vroeg me om advies. Ze zei dat ik de enige Jood was die ze kon vinden. Ik heb haar nog uitgelegd dat ik maar half Joods ben, en technisch gezien telt het niet, mijn vader was Joods. Ze vroeg of ik dacht dat er problemen zouden komen met de cover. Ik dacht van niet. Een paar dagen later stonden ze buiten te demonstreren.’

In vrijwel alle stukken in The New Yorker komt de auteur nadrukkelijk zelf voor – het is kenmerkend voor de stijl van het blad. Menaker vertelt Canby dat in Nederland nauwelijks de ‘ik’ wordt gebruikt in journalistieke stukken. Canby geeft leiding aan de afdeling fact checking die zo’n zestien medewerkers telt. Canby mijmert: ‘Het gebruik van de “ik” geeft je als schrijver meer ruimte om te verkennen.’ Ze staan op het punt om een lange discussie aan te gaan, maar dan zegt Menaker: ‘Je moet weer aan het werk, we gaan.’

 

Paulien Bakker with DM at The New Yorker

 

Stukken van Daniel Menaker zijn voor online abonnees te lezen in het archief van The New Yorker.

 

You Might Also Like...